Louis Braille – Biografie

/ Home / Inzien / Louis Braille – Biografie

Louis’ verhaal

Geboorte & familie

Louis (koosnaampje “Benjamin Braille”) is geboren in Coupvray (40 km. van Parijs, toen 600 inwoners) op 4 januari 1809 en overleed in Parijs op 6 januari 1852. 3 dagen na zijn geboorte is hij al gedoopt, omdat men als goede katholiek in die tijd bang was, als je niet snel doopt kan je mogelijk ook ongedoopt sterven. Hij is zijn hele leven een trouwe Katholiek gebleven.

Louis was het vierde kind van Monique (meisjesnaam Baron) en Simon Rene Braille. Hij had een 1 broer (Louis Simon, 17) en 2 zussen (Cathérine-Joséphine 1793-1875, en Marie-Céline, 1797-1841). Louis zelf was dus een nakomertje. Zijn vader, Simon-René, was zadelmaker, daarnaast bezat hij ook een behoorlijk stuk land, met o.a. boerderijen een wijngaard daarop, waardoor het gezin in betrekkelijke welstand kon leven: hij maakte tuigen, beugels en riemen voor paarden. Simon Rene had de hoop dat zijn oudste zoon Louis Simon zijn werk over zou nemen, maar daar is het nooit van gekomen.

Louis had een goede band met zijn broer. Zijn broer was vaak het “tussenstation” tussen het blindeninstituut en zijn familie. Maar toen zijn broer al het huis uit was en Louis zelf nog niet is zijn broer nog wel regelmatig met de kleine Louis op zondag naar de kerk geweest. Voor zover bekend is Louis op latere leeftijd oom geworden van in totaal 6 kinderen van zijn 2 zusssen (ieder 3). Van Louis Simon is noch bekend of hij kinderen had en wanneer hij overleden is.

Het ongeluk

Op driejarige (1812) leeftijd sloop de kleine Louis de werkplaats van zijn vader binnen, speelde er met het gereedschap en verwondde hij zichzelf met een priem aan één oog, waardoor een hoornvliesvertroebeling.

Aan het begin van de negentiende eeuw was het nog anders gesteld met de medische verzorging en werden wonden verzorgd met zalfjes waarvan men aannam dat ze een helende werking hadden. Er doen verhalen de ronde dat Louis door een oude vrouw is behandeld met leliewater. In ieder geval leidde de verzorging van de wond tot een ontsteking, die na korte tijd ook nog het andere gezonde oog aantastte. De jonge Louis werd door deze ontstekingen totaal blind (1813-1814). Zijn oogbeperking had met de huidige medische mogelijkheden waarschijnlijk minder ernstig geweest.

(Dit artikel gaat verder onder het advertentieblok)

Louis groeide op in een andere tijd, Napoleon was in oorlog, ook Coupvray werd overspoeld met Russische soldaten. De levensomstandigheden waren zwaar voor mensen met een beperking. Blinden moesten gaan bedelen of optreden als muzikanten om in leven te blijven. Gedurende alle voorafgaande eeuwen had men de blinden beschouwd als volstrekt onvolwaardige en onbruikbare wezens, die onmogelijk tot een trap van noemenswaardige ontwikkeling en beschaving waren te brengen. Wel zijn er in alle tijden blinden geweest, die het wisten te brengen tot zeer bijzondere prestaties, doch deze werden beschouwd als abnormaal begaafden. In 1813 trouwde zijn oudste zus met Jean Francois Carron. 1815 trouwde zijn broer met Virginia Cotte.

Basisonderwijs

Ondanks zijn zware beperking, het verdriet en de omstandigheden hielden Louis’ ouders eraan hem een degelijke opvoeding te geven. Op dat moment kon niemand vermoeden dat dit ongeluk van onschatbare ware zou worden voor alle blinden in alle landen, voor waarschijnlijk nog tot ver in de toekomst.

Hij ging in 1816 dankzij de hulp van een plaatselijke dorpspriester (Abbé Palluy) naar de lagere dorpsschool, waar hij o.a. les kreeg van Antoine Becheret. Iemand met een beperking op een reguliere school, was in die tijd zeer ongewoon. Alles wat tot hem kwam moest hij onthouden, omdat hij het niet zag. Zijn vader had hem het alfabet geleerd met behulp van nagels die hij in een houten plank klopte. Met zijn intelligentie, maar ook met zijn beperking, bleek die dorpsschool niet voldoende. Daarnaast werd er een nieuw onderwijssysteem (Mutual instruction) in Frankrijk ingevoerd, waarbij de leraar minder centraal zou moeten staan. Dit was voor Louis geen werkbare situatie. De dorpspriester heeft hem zelf ook nog enige tijd onderricht.

Koninklijk instituut

Dat er iets moest veranderen voor Louis begreep beheerder Marquis d’Orvilliers van het Koninklijk Instituut voor Jeugdige Blinden te Parijs ook. Waarna de ouders met enige moeite overtuigd werden dat dat instituut het beste zou zijn voor hun Louis. Er werden veel zieltjes gewonnen, om een beurs bij elkaar te krijgen voor Louis. Die vervolgens vanaf 15 februari 1819 aldaar als leerling werd geplaatst. Dit instituut voor blinden was het eerste in zijn soort in de hele wereld. 1819 was ook het jaar dat zijn oudste zus trouwde (met Francois Louis Isidore Marniesse)

Wat voor Louis een rit betekende van 2½ uur naar Parijs. maar die rit betekende voor Louis de overgang naar een geheel nieuwe wereld. Een wereld met nieuwe geluiden, nieuwe geuren, nieuwe ervaringen en met nieuwe mensen, die anders spraken dan de mensen van zijn dorp en over andere onderwerpen. Een andere wereld! Ja, maar één die nog heel weinig leek op datgene waaraan wij ons een voorstelling kunnen maken. Het blindenonderwijs was toen nog maar enkele tientallen jaren oud en het verkeerde nog in een heel primitief stadium.

(Dit artikel gaat verder onder het advertentieblok)

Haüy

De Fransman, vrijmetselaar en latere pionier voor het blindenonderwijs Valentin Haüy (1745-1822) zag in 1771 in Parijs een vreselijke act van acht verklede blinden die deden alsof ze muziek konden maken. Valentin Haüy werd hierdoor aangegrepen, dat blinden werden uitgelachen. Hij ondernam actie. Haüy nam een jonge blinde bedelaar in huis om hem op te voeden. Hij kreeg het voor elkaar om de blinde bedelaar in 3 maanden een reliëf boek te laten schrijven en lezen. In 1784 had Haüy een klasje als zijnde privéschool, Institut des Jeunes Aveugles (gevestigd in het oude gebouw van het seminarie van St.-Germin) waar hij les gaf aan twaalf blinde leerlingen. De eerste school voor blinden was een feit en bestaat tegenwoordig nog steeds onder de naam van de oprichter. Later werd dit een koninklijk instituut (1786), toen Keizerlijk en is dus tegenwoordig een staatsinstelling.

Behalve een school was het gebouw, dat meer dan 200 jaar oud was en o.a. al dienst heeft gedaan als gevangenis, ook een gesticht geworden voor blinde bedelaars. Ook de school voor doven kwam erbij, wegens plaatsgebrek elders. Het gebouw was oud, overbevolkt en de leerlingen liepen er allerlei ziekten op vanwege de barre hygiënische omstandigheden. Er was bijna geen verwarming in het gebouw, de studenten mochten één keer per maand in bad en het drinkwater kwam rechtstreeks uit de modderige Seine. Het eten bestond overwegend uit pap en bonen. Een ‘lesdag’ duurde gemiddeld 13 uur en bestond grotendeels uit het uitvoeren van werktaken. Het enige ‘lichtpunt’ waren de muzieklessen.

Dit alles gebeurde in een omgeving die verre van rustig was. Terwijl iemand in een gang viool studeerde, oefende een ander zich bij de achterdeur op de bas, speelde een derde fluit ergens in een vensternis en studeerden weer anderen piano op een aantal slechte instrumenten, die bij elkaar stonden in één en hetzelfde vertrek, waar de schoolkinderen hun huiswerk moesten maken.

Eén van de grootste problemen waarmee Haüy worstelde, was dat van de lectuurvoorziening. Hij zag helder in dat het blindenonderwijs, waaraan hij al zijn liefde en al zijn kracht gaf, nooit tot volle ontplooiing zou komen, zolang men geen goede methode had gevonden om blinden lezen en schrijven te leren.

Het door Haüy gebruikte reliëfschrift van gewone Romeinse letters op gedroogd papier (Moonschrift principe) voldeed in de praktijk niet, het werden loodzware boeken. Haüy gebruikte hiervoor o.a. letters, zelf ontworpen zetplanken en een letterkast. Het was te omvangrijk en te moeilijk leesbaar. Bovendien konden de blinden het niet zelf schrijven. Het lukte Haüy niet, dit probleem op te lossen. Met een aantal van 90 leerlingen (60 jongens en 30 meisjes) en maar 14 boeken, was het dan ook erg moeilijk om goed les te kunnen geven. Met als gevolg eindeloze herhalingen. Door de Franse revolutie in 1789 werd Haüy ontslagen.

(Dit artikel gaat verder onder het advertentieblok)

De begaafde leerling

Toen de 10-jarige Louis op dat instituut werd geplaatst trok hij zich weinig aan van die ongerieflijkheden, maar het trage tempo waarin het aldus gegeven onderwijs verliep, was de leergierige knaap een voortdurende ergernis. Al spoedig onderscheidde hij zich als een buitengewoon veelzijdig begaafde leerling, die snelle vorderingen maakte, zowel in de muziek als in de andere vakken die aan het instituut werden onderwezen. Het instituut had 3 maar 3 leraren, waarvan Sebastian Guillié er zelf één van was. Louis bespeelde zelf vaak het fameuze orgel en op de Cello, waarmee hij ook meerdere prijzen binnen het instituut won.

Ook op dit instituut werd het inmiddels nieuwe ingevoerde onderwijssysteem Mutual instructions gehanteerd, waarbij de slimmere leerlingen de mindere leerlingen moesten helpen.

Louis had binnen het instituut daarnaast een hechte vriendschap opgebouwd met Gabriel Gauthier. Een vriendschap die de rest van zijn leven zou blijven bestaan. Louis genoot iedere week weer van de uitjes naar de nabijgelegen botanische tuinen. Waarbij de leerlingen langs een touw lopend over straat van a naar b werden gebracht.

Vanaf kinds af aan had Louis het verlangen en de feeling om de kennis waar hij naar op zoek was, ook toegankelijk te maken voor anderen. Met de toewijding en de vasthoudendheid van de geboren uitvinder legde hij er zich op toe, een betere methode voor het blindenschrift te vinden. Toen hij nog maar 14 jaar oud was, trof Abbé Palluy hem eens aan, terwijl hij bezig was te experimenteren met allerlei figuurtjes, waaruit hij een bruikbaar alfabet wilde maken. Dat dit geen oplossing was, begreep Louis snel.

Barbier

Spoedig had hij in de gaten dat er ook een speciaal ‘nachtschrift’ was ontwikkeld door Kapitein Charles Barbier de la Serre (1767–1843), een gepensioneerde artillelrieofficier in het Franse leger. Dit bestond uit streepjes en puntjes. De sonografische code was een methode om ‘s nachts boodschappen over te brengen aan het front. Daarbij werd een raster van twaalf punten gebruikt, waarop in reliëf codes werden aangebracht die in het donker voelbaar waren. Het commando “voorwaarts mars” bijvoorbeeld, werd weergegeven door twee streepjes en een punt. De code was gebaseerd op de 36 klanken van het Franse alfabet.

Louis pikte het systeem snel op en leerde het aan zijn medeleerlingen. Al snel ‘schreven’ zij elkaar in hun nieuwe ‘geheimtaal’, tot ergernis van de leraren die vonden dat hun leerlingen het voelbare ‘zienden-alfabet’ moesten leren. Want ja zij konden het niet lezen en het lawaai van de prikpennen die in het papier punten drukken zou volgens hen de orde in de klassen verstoren. De punten waren makkelijker te lezen en te schrijven dan de reliëfletters. Echter was het schrift fonetisch en volgde dus niet de spellingsregels (niet orthografisch). Ook stond het niet toe om leestekens, getallen, rekenkundige symbolen en muzieknoten te schrijven. Door de 12 punten waren ze te hoog om in één keer met de vinger gelezen te worden. De toenmalige directeur van het instituut, meneer Pignier, die door Braille wordt gekarakteriseerd als een streng, maar progressief man, aanvaardde het nieuwe schrift uiteindelijk met grote geestdrift.

Inderdaad is Barbier te beschouwen als de directe voorloper van Louis Braille. Immers, hij is de eerste geweest, die begreep dat een blindenschrift niet gebaseerd moest zijn op tekens die bestemd zijn om met de ogen te lezen, maar op tekens die ingesteld zijn op de waarneming door middel van de tastzin. In 1819 – precies het jaar, waarin Louis als leerling in het blindeninstituut van Parijs werd opgenomen – ging Barbier bij de directeur van deze instelling het gebruik van zijn “nachtschrift” voor het blindenonderwijs bepleiten.

Voor Barbier waren de blinden een marginale groep, voor wie de gebruikelijke spelling een overbodige luxe was, het was een soort van stenografie. Maar voor Braille beschouwde het respecteren van de spelling als een eerste voorwaarde om als normaal medemens gerespecteerd te worden.

Naast Barbier waren er wereldwijd meer mensen die zich bezighielden om een leesbaar blindenschrift te ontwikkelen, zoals de Schot James Gall (1784 – 1874). Zijn alfabet was gebaseerd op een reliëf van driehoekige letters. Dit alfabet is nooit echt tot verdere ontwikkeling gekomen.

Eerste opzet blindenschrift

Zeer waarschijnlijk heeft Barbier direct of indirect Louis op het idee gebracht iets dergelijks zoals dat van hem voor blinden te ontwikkelen. Louis was al van jongs af aan bezig met het zoeken naar een beter systeem om te kunnen lezen. In de zadelmakerij van zijn vader was hij al in de weer met kleine stukjes leer om er een herkenbaar, voelbaar systeem van te maken. Het ‘nachtschrift’ van Barbier was veel simpeler en beter voelbaar dan alles wat daarvoor was bedacht.

De eerste opzet – toen hij nog maar 16 jaar oud was – die overigens het tegenwoordige brailleschrift al heel dicht nabij komt werden de leestekens nog met streepjes aangegeven. Het was echter een alfabetisch schrift, waarin de spelling volledig kon worden weergegeven. Een combinatie van 2 x 3 punten, waaruit 63 combinaties te maken zijn.

Louis Braille gaf aan 50 van de 63 symbolen van zijn stelsel een vaste rangschikking in vijf rijen van tien symbolen elk, waarbij de laatste vier op eenvoudige manier afgeleid waren van de eerste. De symbolen van rij 1 zijn zo gekozen, dat ze slechts punten bevatten uit het bovenvierkantje van de braillecel bestaande uit de punten 1-2-4-5, terwijl elk symbool minstens één punt zowel in de bovenlijn als in de voorlijn heeft. De rijen 2, 3 en 4 zijn identiek aan rij 1, mits toevoeging bij elk van zijn symbolen, resp. van punt 3, de punten 3-6 en punt 6. Rij 5 is identiek aan rij 1, doch “gezakt” ofwel naar het beneden vierkantje van de braillecel (punten 2-3-5-6). Voor de 13 door Braille niet gerangschikte symbolen bestaat er geen algemeen aanvaarde volgorde.

Barbier kon het aanvankelijk maar slecht verkroppen dat een schooljongen betere inzichten zou hebben dan hij. Met veel weerstand bleef hij bij directeur Pignier aandringen op zijn eigen systeem. Dit hield hij zes jaar lang vol, toen moest hij toch zijn meerdere erkennen in het schrift van Louis Braille, als het enige bruikbare blindenschrift. Maar Louis had boosaardige tegenstanders. Zijn leven werd, evenals dat van veel uitvinders, bemoeilijkt door onbegrip en sleur en bovendien traden hem fysieke moeilijkheden in de weg. Niettemin hield hij vol.

Erkenning, aanstelling en perfectioneren

De strijd om erkenning van zijn blindenschrift was heel moeizaam. Directeur Pignier deed wat in zijn vermogen lag om Louis Braille te helpen bij de strijd om erkenning en algemene toepassing van zijn nieuwe schrift. Hij had echter hulp nodig van officiële zijde en die hulp was vooralsnog niet te verkrijgen. De vele brieven, die Pignier schreef aan de regering bleven eenvoudig onbeantwoord. Na lang aandringen nam minister Adolphe Thiers toch de moeite het instituut te bezoeken.

Dit had onder andere tot gevolg, dat Louis op zijn 19e en één van zijn medeleerlingen een volledige aanstelling (180 Franse Frank per jaar, een paar jaar later 300) ontvingen als leraar aan het instituut. Daarvoor was hij ook al van zijn veertiende tot zijn zestiende jaar opzichter in de pantoffelmakerij van het instituut. Zijn aangestelde functie was eerst als repetitor en daarna zelfstandig lesgeven in algebra, grammatica, aardrijkskunde en in muziek (voor Cello, Viool en Piano). Hij was een geliefde leraar. Dat zoveel leervakken aan hem werden toevertrouwd getuigt zeker voor zijn veelzijdige begaafdheid, maar het wijst ook op de onvoldoende bezetting van het onderwijzend personeel van het straatarme instituut. Zelf volgde Louis ook nog een enkele cursussen aan de universiteit.

Met zijn salaris had hij de mogelijkheid een eigen piano te kopen, geld uit te lenen aan vrienden en om mensen in te huren om boeken te schrijven met zijn blindenschrift.

Louis was daarnaast ook tot zijn dood als organist verbonden aan verscheidene parochies in Parijs, zoals de Saint-Nicolas du Chardonnet-kerk in de nabijheid van het instituut. Bij dat alles was hij nog steeds bezig met de perfectionering van zijn schrift, dat hij steeds verder toe te passen op eenvoudige muziek. In de loop van enkele jaren kon hij ook de ingewikkeldste partituren in zijn systeem weergeven. In die tijd waren er veel blinde musici die verbonden waren aan kerken, geen wonder dat daarom Louis dit schrift niet over het hoofd zag. Uiteindelijk in 1839 is er door hem een blindenschrift geïntroduceerd voor het muziekschrift.

Louis’ 1e “definitieve” blindenschrift.

In 1829, op zijn 20e, had hij het volledig ontwikkeld tot een bruikbare methode, waar de streepjes ook uit verwijderd waren die nog aan Barbier herinnerden. Hij had het twaalfpuntssysteem vervangen door een minder ingewikkeld zespuntssysteem en er een bepaalde logica in aangebracht waardoor behalve letters en hoofdletters ook leestekens, cijfers, tweeklanken en andere aanduidingen gebruikt konden worden. Zijn medeleerlingen begonnen het meteen te gebruiken. Voor het eerst wordt het blindenschrift officieel gebruikt door een bestaande tekst (“La grammaire des grammaires” De grammatica der grammatica’s) om te zetten in het brailleschrift. Het resultaat was goed.

Pas toen er leek meer openbare belangstelling te komen voor zijn blindenschrift braille. De dichter Lamartine besprak op 14 mei 1838 in het parlement de slechte toestand in het blindeninstituut en pleitte voor regeringshulp. 1.6000.000 Franse Frank wordt uitgetrokken voor nieuwbouw van het instituut. Mede hierdoor kwam regering toch in verlegenheid om te antwoordden op de brieven van de directeur. Dit veelzeggende antwoord luidde, dat het werk van dhr. Braille diende te worden aangemoedigd. Bij dit klopje op de schouder bleef het.

De methode van Louis Braille werd vervolgens in een verslag vastgelegd. “Procédé pour écrire les paroles, la musique et le plain-chant au moyen de points, à l’usage des aveugles et disposé pour eux” (Methode voor het schrijven van woorden, muziek en gezongen liederen door middel van punten, voor het gebruik door blinden en voor hen samengesteld). Met dit verslag was het brailleschrift geboren.

In 1831 stierf de vader van Louis. Het was zijn broer die hem dit nieuws kwam vertellen, via een brief die hij zelf kwam bezorgen bij het instituut gedicteerd door de stervende vader. De vader van Louis verzocht hem het instituut en de directeur nooit in de steek te laten en te verlaten, aldus opgetekend door de directeur zelf in een historisch document “Three blind teachers in the institution”. Met de dood van zijn vader heeft Louis Braille het ouderlijk huis toebedeeld gekregen, als zijn deel van de erfenis. Hij wilde namelijk zo graag een huis waar hij ieder jaar naar kon terugkeren voor vakantie en familiebezoek.

Louis’ 2e “definitieve” versie

Op zijn 25e (1834) mocht Louis zijn ‘blindenschrift’ demonstreren met een in blindenschrift gedrukt boek op een industrietentoonstelling in Parijs waar ook de Franse koning bij aanwezig was. Aldaar vroeg een Engelsman aan Louis, de letter ‘w’ aan zijn alfabet toe te voegen, die hij daarin niet had opgenomen. In Franse woorden komt deze letter niet voor behalve dan in woorden die van andere talen zijn overgenomen. Net als de letter ‘ k’, maar die had hij al wel opgenomen in zijn alfabet.

In 1837 legde een tweede uitgave van de Methode de definitieve versie van het alfabet vast. De leessnelheid werd er, in vergelijking met het “Barbierschrift”, gevoelig door verbeterd. Bovendien kon men met de brailletekens het alfabet, de leestekens, de getallen, de wiskundige symbolen en de muzieknoten volledig omzetten. Ook in dat jaar bracht Het Koninklijk Instituut voor Jonge Blinden het eerste boek in braille uit: een handboek van de Franse geschiedenis met als titel “Précis de l’histoire de France divisée en siècles”. Naast het origineel zijn er maar 3 kopieën geproduceerd.

De intelligentie en motivatie voor het blindenschrift hield niet op bij wat hij al uitgevonden had. In 1839 had hij zich ook nog toegelegd op een door hem nieuw ontworpen systeem waarbij blinden makkelijker konden communiceren met zienden, een systeem dat hij Decapoint noemde. Een veld van 10 bij 10 rijen, totaal 100.

Decapoint ook wel raphigrafie, was een tactiele vorm van het Latijnse manuscript als een systeem dat door zowel de blinde als de ziende gebruikt kon worden. Letters behouden hun lineaire vorm en waren dus leesbaar zonder training voor de ziende, maar de lijnen waren samengesteld uit reliëfstippen zoals die in braille werden gebruikt. Elke letter bevat tien punten in de hoogte en verschillende punten in de breedte. Deze letters waren niet gemakkelijk voor de blinden om te schrijven vanwege hun hoogte van tien punten ondanks het raster. Het duurde niet lang totdat zijn blinde vriend Foucault in 1841 het eerste apparaat, de Raphigraaf kon bouwen die alle punten van één kolom karakters tegelijkertijd in het papier kon drukken. Dit lettertype werd nu Raphigrafie genoemd.

Toen de eerste normale schrijfmachines werden uitgevonden, ondervonden ze snel de ingewikkelde Raphigrafie, ondanks de onmogelijkheid voor de blinden om het schrijfwerk van schrijfmachines te lezen. En dus viel het Decapoint, of zo je wil de Raphigrafie in de vergetelheid, maar het was het eerste digitale lettertype van Latijnse letters ooit.

Ziekte & volharding

Louis had een zwakke gezondheid. Directeur Pignier vreesde voor een ernstige ziekte en trachtte hem zoveel mogelijk te ontzien door hem kleine klassen te geven. Vanaf 1835 kreeg hij last van de eerste aanvallen van tuberculose. In 1840 gaf hij enkel nog muziekles omdat hij steeds erger ziek werd. Maar hij zette de strijd voort, in het bewustzijn dat hij streed voor de hoogste belangen van zijn lotgenoten, van wie hij hield, zoals zij van hem hielden. Het ging hard tegen hard. De van nature zo vriendelijke en zachte Louis Braille streed voor een zaak, die hem heilig was en die hij niet kon en niet mocht prijsgeven. Dat hij zo ziek was en hij daardoor ook weer 3 jaar terug (1844-1847) moest naar Coupvray maakte hem niet veel uit.

Door een al jarenlang slepend conflict in de directie moest Pignier in 1840 het veld ruimen Toen nog onderdirecteur Dufau werd de nieuwe directeur. Hierdoor werd Louis Braille ook ontslagen en werd het Brailleschrift enige tijd verboden. Alle leerlingen, die zich in het geheim daarmee bezighielden, werden streng gestraft, als ze werden betrapt. Alle toen voor handen zijnde braille boeken werden verbrand. Omdat men bang was, dat door dit brailleschrift de blinden in een sociaal isolement zouden kunnen geraken. Alleen een verbeterd ziendenschrift (Boston Line Type) met bijzonder duidelijk reliëf werd geduld, dat al werd gebruikt in Amerika en Schotland. De echte rede was waarschijnlijk dat Dufau bang zou zijn geweest dat de goedziende leraar overbodig zou worden met het blindenschrift van Louis Braille. Ondanks diverse verzoeken van Braille, tot de minister aan toe, om het “braille” schrift toch enige status te geven, liepen op niets uit.

Vanaf 1850 stopte Louis met lesgeven op het instituut vanwege zijn ziekte. Met gratie van Dufau mocht hij wel op het instituut blijven, in ruil voor enkele pianolessen aan de leerlingen, als zijn gezondheid dat toeliet.

De volharding van Louis werd beloond. Weer rebelleerde er een onderdirecteur en weer was het de directeur zelf, die aan het kortste eind trok. Nu was het de beurt aan een overtuigd medestander van Louis Braille, die het heft in handen nam. Toen het instituut werd overgeplaatst naar de Boulevard des Invalides (22 februari 1844), maakte de nieuwe directeur gebruik van de officiële opening van het nieuwe gebouw om in een gloedvolle rede te wijzen op de betekenis van het werk van Louis Braille. Hierdoor verdween alle tegenstand, althans binnen het Nationale Instituut voor Jeugdige Blinden.

Overlijden

In 1847 werd een eerste Brailleprinter gebouwd, die het mogelijk maakte boeken in braille te printen. In 1850, werd zijn Brailleschrift voor het eerst als schrijfwijze op blindenscholen toegelaten.

Maar Braille heeft zijn overwinning niet lang kunnen vieren. Begin december 1851 werd de situatie dusdanig dat zijn broer Louis Simon naar het instituut is gekomen en daar tot aan zijn dood is gebleven.

Op 6 januari 1852 stierf hij op de medische afdeling van het blindeninstituut – alwaar hij sinds een jaar verbleef – Het blindeninstituut waarvoor hij geleefd en gewerkt had, omringd door mensen, die hem bewonderden en liefhadden. Vlak voor zijn dood had hij nog wel de geest om zijn erfenis op te laten tekenen. Hij vroeg om zijn schulden te vergeven en zijn geld te verdelen onder de blinde katholieke organisaties. In de dagen daarna heeft zijn broer in een heen en weer tussen Parijs en Coupvray alle benodigde zaken geregeld voor de begrafnis.

Zijn stoffelijk overschot werd eerst begraven (op 9 januari 1852) op het kerkhof van Coupvray. Pas in 1887 werd er bij het graf van Louis Braille een eenvoudig monument opgericht. Sinds zijn overlijden was er tot dan toe geen andere tastbare herinnering aan de zo geliefde uitvinder van het blindenschrift.

Braille leeft voort

Ook al is Louis er zelf niet meer gaat de wereldwijde strijd voor het brailleschrift verder. In 1917 wordt het blindenschrift geaccepteerd als wettelijk communicatiemiddel voor mensen met een visuele beperking. In 1929, 90 jaar na de introductie van Louis Braille wordt het internationale muziekschrift aangenomen als het enige bruikbare muziekschrift voor blinden. En in 1949 vraagt het parlement van India aan de Unesco om braille te reglementeren voor gebruik in elke taal. Meer dan honderd talen en honderden dialecten kunnen nu in braille worden geschreven.

Op 18 juni 1952 werd Louis in een aangrijpende plechtigheid en in aanwezigheid van de president van de Franse republiek, overgebracht naar het Pantheon te Parijs, waar Frankrijks grootste zonen rusten. De kist met de stoffelijke resten van Louis Braille werd in een ceremonie door Parijs gedragen gevolgd door een stoet van blinden uit de hele wereld.

De inwoners van Coupvray waren het er niet mee eens dat hun beroemde stadsgenoot hun grond zou verlaten. Als compromis werden de handen van het skelet gescheiden en in een klein kistje herbegraven in een urn op het oude graf in Coupvray.

Wie de herbegrafenis in Parijs heeft meegemaakt, kan daaraan niet zonder ontroering terugdenken. Iedereen die hem lief had volgde de baar, Het verkeer in de wereldstad lag meerdere uren plat. Duizenden toeschouwers stonden langs de weg en op de daken, die  hulde bracht aan dit korte leven dat waarin hij zoveel heeft betekent voor de blinden van over de hele wereld.

Het brailleschrift werd vanaf 1854 in alle Franse scholen ingesteld als het enig bruikbare blindenschrift. Van daaruit begon het zijn toch nog moeizame zegetocht door alle West-Europese landen en vervolgens de hele wereld. In 1873 werd het eerste boek in “definitief” braille gedrukt: ‘De geschiedenis van Frankrijk’ Dit zijn drie dikke banden. Sommige landen en scholen pasten Braille pas na 1945 toe. Sommige scholen in de VS gebruikten zelfs in 2008 nog een ander alfabet dan dat van Braille, het zogenaamde “New York stippensysteem”

Zijn internationale “overwinning” vanwege zijn uitvinding heeft hij helaas niet meer mee mogen maken. Want op een congres in Parijs in 1878 werd het Brailleschrift officieel tot internationale Methode voor onderwijs in scholen voor blinden verklaard.

Heeft het brailleschrift nog toekomst? Lezen met puntjes

Braille moderniseren

Natuurlijk moet ook het brailleschrift moderniseren. Naast het normale en het muziekschrift zijn er inmiddels ook brailletekens voor wiskunde en computertaal. Ook bestaat er voor geoefende braillelezers een soort stenografie in braille, het z.g. ‘Kortschrift in raden’.

De puntjes hebben voor het gemak een nummer gekregen: In de eerste kolom heten deze 1, 2 en 3 en die in de tweede kolom 4, 5 en 6. Kijkend naar het braille alfabet wil dat dus zeggen dat de letter p bestaat uit de punten 1, 2, 3 en 4.

De beperktheid van het aantal braillesymbolen (precies 63) dwingt tot een creatief gebruik dezelfde symbolen in naast elkaar staande stelsels.

Zoals:

  • Volschrift;
  • Kortschrift;
  • Klassiek Grieks;
  • Muziekschrift;
  • Wiskundigschrift;
  • Scheikundige en natuurwetenschappelijke formules;
  • Fonetisch schrift;
  • Schaak- en speelkaartsymbolen.

Meer dan welk eerbetoon ook, herinneren aan Louis drukkerijen, schrijfmachines, bibliotheken, tijdschriften en andere culturele goederen, die door zijn werk en zijn strijd voor blinden mogelijk zijn geworden. Voor de blinden is het aangezicht van de wereld veranderd door de kracht, die is uitgegaan van de man met de zwakke gezondheid en de sterke geest.

Louis wist, beter dan de blinde metgezel van zijn tijd, wat zijn lotgenoten nodig hadden voor hun geestelijke verheffing. Voor de blinden is Louis niet alleen de nog steeds onovertroffen uitvinder, maar ook een voorbeeld voor een volledige integratie.